onderweg
knollentuin
allerlei
links
contact
knollentuin9











Mevrouw Onkruid & haar knollentuin

9 - Flierefluiten











Tweede jaar, mei/juni













Ineens ziet mevrouw Onkruid het. Wat ze heeft gedaan. Ze heeft het decor van haar jeugd herschapen. Haar volkstuin is een weilandje waarin boterbloemen en paardebloemen welig tieren, met aan de rand ervan een sloot. Mevrouw Onkruid heeft zelfs een emmer gekocht – een witte, daarin zie je alles beter – die ze zo nu en dan door het water haalt en dan naast zich neerzet. Om zich een tijdje te vergapen. Aan rode waterspinnetjes, slakken met hoorntjes op hun hoofd, in waterplanten gevangen luchtbelletjes.
Natuurlijk, er zijn ook zwartgemaakte stukjes grond. Daarin doen prei, knolselderij en sla hun best te groeien, ondertussen voortdurend belaagd door oprukkend riet en gras, en hapjes nemende vogels en insecten.
Mevrouw Onkruid doet niks. Dat kan zij steeds beter. Vorig jaar werkte ze elke keer als een bezetene als zij haar tuin bezocht. Schoffelen, harken, wieden, in een tuin is altijd wat te doen. Dat is niet veranderd.
De verandering zit in mevrouw Onkruid. In de tuin is zij de enige die denkt. (Denkt ze.) Dat werkt aanstekelijk. Dat niet-denken. Al die gedachten over ‘iets nuttigs’ moeten doen, niet mogen flierefluiten. Wat moet een mens ermee?
Soms iets.
Vaker niets.
Een vreemde eend in de bijt, dat voelt mevrouw Onkruid zich regelmatig. Omdat zij nu al een volkstuin heeft, en niet pas na haar pensioen. Omdat ze liever kijkt hoe het gras groeit dan zich tijdens daglicht tussen muren inzet voor de economie.
Mag dat wel? Maar wie bepaalt dat?
En wat heeft een mens nu helemaal nodig? Iets te eten, een dak om onder te schuilen, wat om aan te trekken. De rest is extra.
Mevrouw Onkruid wil niet mee in de stroom van vermeende vooruitgang. Zij staat stil. Wil weten wat dat betekent: leven. Wil weten hoe het voelt om hier en nu te zijn, in deze verpakking. Een hand, een voet, een mond, een oog; zij kan zich er eindeloos over verbazen. Ademhalen, dat dat zomaar kan.
Iemand blaast in haar oor. Het is Buurman. Hij heeft een kale paardebloemenstengel in zijn hand. De pluisjes zweven om hen heen. Elke pluk van de holle steel van zo’n bloem maakt een ander geluid. Veel plukken achter elkaar klinken als een melodietje.
Buurman en mevrouw Onkruid buigen zich over het vernuft van zoiets gewoons als een paardebloem. Elk zaadje dat een pluisje meekrijgt voor de grote reis. De regelmaat waarmee de zaadjes in de bloemkop gestoken zitten. Het lijkt wel wiskunde.
Grappig is dat. Mensen die zich over zoiets verbazen. Alsof ‘de natuur’ iets anders is dan wij. Wij zijn zelf natuur. En dus komen we tot kloppende formules en manieren van bouwen die verwantschap hebben met natuurlijke groei. Dat rare vermogen om te denken trekt een scheidslijn die er in wezen niet is. Toch? Buurman fronst.
Maar wat ondertussen te doen met al die paardebloemen? Want het is wel leuk, zo’n landschap uit haar kindertijd, maar louter bebloemd grasland gaat mevrouw Onkruid toch te ver.
Buurman en zij slaan aan het plukken. Pling plong pleng. Daar word je blij van. En dorstig. Op naar de paardebloemenlimonade.

terug