onderweg
knollentuin
allerlei
links
contact
tuinkast-open











Mevrouw Onkruid & haar knollentuin

8 - Hark op stand











Tweede jaar, maart/april













Een volkstuin gaat niet alleen over tuinieren. Een tuin heeft ook een ton. Een ton voor regen. Daarin moet een pijp, verbonden aan een goot. Je bent er zo een halve dag mee bezig. Opmeten, spullen halen, toch de verkeerde maat meegenomen, spullen ruilen, schroevendraaier lenen, enzovoort.
Waarom doet mevrouw Onkruid deze moeite eigenlijk? Haar tuin huist immers aan een sloot. Die is nooit leeg. Wel laag, soms.
Ach, Buurman had de ton al voor haar neergezet, waarom zou mevrouw Onkruid moeilijk doen? Bovendien: als zij het opgevangen hemelwater niet nodig heeft, kan hij het altijd nog voor zijn kas gebruiken. Zo’n glashuis vol gevangen tropische hitte slurpt vocht. Je kunt het water bijna zien verdampen.
Behalve de ton is er een kast. Die liet de vorige tuineigenaar staan en mevrouw Onkruid kan ‘m goed gebruiken. Want bij een tuin horen spullen. En die moeten ergens in. Overtollig zaad. Tasjes en bakjes voor oogst. Zonnebrand. Anti-muggenspul. Snoeitang. Touw. Mevrouw Onkruid verbaast zich erover wat zij in een jaar aan dingen bij elkaar heeft weten te verzamelen. En dan past het belangrijkste er niet eens in. Schoffel en hark? Te lang. Die liggen daarom bij Buurman in zijn kist.
Hoewel, kist? Buurman noemt het een bushokje. Een houten bouwsel voorzien van ruimte voor gereedschap, waarna je op de gesloten klep kunt zitten met links en rechts en boven je hoofd een soort muurtjes. Lekker als de zon onbarmhartig schijnt, zo’n schaduwhuisje. Ook goed om in te schuilen.
Mevrouw Onkruid vindt het tijd voor eigen behuizing. Bovendien staat haar tweedehands tuinkast op springen. Letterlijk. De deur trekt krom en spat bijna uit de hengsels. Zij denkt twee vliegen in een klap te slaan door de aanschaf van een nieuwe grotere kast.
Maar dan stuit zij op regels. Regels voor eenvormigheid. Anders wordt het hier een zooitje, en dat, zo weet meneer Tuinbeheer, wil de gemeente niet. Hij toont haar een voorbeeld van een toegestane kast, vertelt over minimale en maximale maten.
De kast lijkt meer een huis. Is te groot en te duur. Haar hark hoeft niet op stand te wonen. Als ‘ie maar droog blijft, de rest is bijzaak.
Mevrouw Onkruid reageert slecht op regels. Het liefst timmert zij een hut van zelfgesprokkeld hout. Hoe nu?
Meneer Tuinbeheer spreekt verlossende woorden. Tot tachtig centimeter hoogte mag alles. Alles? Ja. Maar daarboven wordt het dit. En hij wijst weer naar het tuttenhuisje.
Aha. Niet dat er zo heel veel kan, tot tachtig centimeter. Maar er gloort licht aan de horizon, mevrouw Onkruid kan weer vrijer denken.
Dus nu komt er een tuinkist. Twee meter lang, tachtig centimeter hoog, alle ruimte voor lange stelen en wat mevrouw Onkruid verder zoal verzameld heeft en verzamelen zal. En ook hierop kun je zitten. Buurman neemt een handje basilicum en een paar tomaten mee, net geplukt uit zijn kas. Mevrouw Onkruid schenkt heet water uit haar thermoskan in twee hoge glazen met daarin wat takjes munt. Ze klinken. Op de tuin. En de rest.

terug