onderweg
knollentuin
allerlei
links
contact
watersnood




Mevrouw Onkruid & haar knollentuin

25 - Watersnood




Vijfde jaar, januari/februari






Op een dag waarop het niet voortdurend regent en het ook nog eens niet al te koud is, gaat mevrouw Onkruid naar haar tuin. Haar wintertuin, waar bruin nu domineert; waar meesjes en roodborstjes door de kale appelboomtakken van vetbol naar vetbol fladderen terwijl merels en winterkoninkjes het her en der gestrooide zaad oppikken; waar alweer nieuw rabarberblad ontluikt.
Verrassing: het stoepje voor haar schuur staat onder water. De put is overstroomd. Wanneer mevrouw Onkruid de schuurdeur opent, ziet zij wat haar vandaag te doen staat. Hozen. Kennelijk is het water uit de put naar binnen gestroomd, de boel staat blank. Met een bakje in haar hand gaat ze aan de slag; water scheppen van de grond met het bakje naar de emmer, vele liters lang. De emmer leegt ze buiten, op het toch al drassige graspad, alles hier is zompig, ook de sloot staat hoog. Is het wel regen die naar binnenkwam? Of was het grondwater dat steeg? Het vrijwel leeggeschepte putje loopt namelijk snel opnieuw vol. En dat terwijl het droog is. Hm. Hoe gaat zij dit oplossen? Of is dit zo’n typisch geval van de tering naar de nering zetten? Waarbij een oplossing buiten haar bereik ligt en het vooral zaak is de schade gaande de gebeurtenissen zo beperkt mogelijk proberen te houden.
Zandzakken. Daarmee worden dijken verzwaard in tijden van natte voeten, schiet mevrouw Onkruid te binnen. Ze heeft nog een zware zak kalk en een flinke baal koemestkorrels. Die legt ze voorlopig op de drempel van de schuur. Sijpelen kan dan nog wel, maar stromen wordt lastiger.
Mevrouw Onkruid strekt haar rug en bewondert de schapen die zich een weiland verderop als wolbollen op vier staken een weg door het gras eten. Weer- en windbestendige wezens, daar waar mevrouw Onkruid minstens drie lagen kleding draagt en moet blijven bewegen om niet te verkleumen. Hulde ook voor de vogels, die zich met alleen een verenpakje moeten zien te redden.
Wat mevrouw Onkruid helpt zijn haar winterlaarzen. Ze wist het niet, dat er een schoeiselcategorie tussen kaplaars en moonboot bestond. Tot zij naar het tuincentrum ging waar ze liever niet komt, omdat het meer op een woonwarenhuis lijkt dan een winkel met planten. Ze kocht er een kruiwagen en zag toen ook laarzen, met een dikke zool en gevoerde schachten. Die zouden haar gestolen winteruurtjes in de tuin iets comfortabeler laten verlopen.
Mevrouw Onkruid krijgt almaar meer bewondering voor hoe mensen dat vroeger deden; leven, overleven. Soms staat ze even stil bij alles dat en iedereen die ervoor gezorgd heeft dat ze hier nu, zo, is. Het ontstaan van leven. De wezens die uit water aan land kropen, de ontmoeting tussen haar vader en moeder, de fietsenmaker die haar haar fiets leverde. (Mevrouw Onkruid beent met forse stappen over de tijdlijn.) Ze vraagt zich af wat haar eigen aandeel daarin is. Hoe groot. Hoe klein. Misschien wel verwaarloosbaar.
Die gedachte creëert ruimte. Geeft lucht. Als haar bestaan van zoveel toevallige factoren afhankelijk is (geweest), waarom zou zij zich dan nu onnodig druk maken? Ze is een passante. Een passante die de illusie heeft dat zij aan het stuur staat. Maar misschien mag ze eerder blij zijn dat ze überhaupt meevaart.
Mevrouw Onkruid kijkt even op van het water scheppen en ziet donkere wolken naderen. Zwaar van verse regen. Tijd om te gaan. Morgen zal ze komen kijken of haar geïmproviseerde dijk heeft gefunctioneerd.

terug