onderweg
knollentuin
allerlei
links
contact
onkruid








Mevrouw Onkruid & haar knollentuin

2 - Waar ligt nu wat?








Eerste jaar, maart/april










Mevrouw Onkruid heeft een paar dingen cadeau gekregen. Zo liet de vorige gebruiker van haar volkstuin zijn vijgenboom staan. En twee rabarberplanten. De vijg is nog kaal, toont alleen grillige takken, wacht op warme zon. De rabarber heeft er wel al zin in. In groeien. Het begin van zijn latere, grote groene bladeren en rode stelen is er. Dat geeft mevrouw Onkruid moed. Haar tuin is omgespit, de kluiten zijn fijn geharkt, de grond is zwart. Nu is het tijd om er iets in te stopen. Aardappelen. Aardperen. Knoflook. Uien. Het wilde bloemenzaad moet nog even wachten.
Mevrouw Onkruid maakt kuiltjes en stopt met tussenafstanden die haar redelijk lijken knolletjes in de grond. Hier een, daar een, gat weer dicht. Tot later. Mevrouw Onkruid kijkt voldaan om zich heen. En ziet alleen maar zwarte aarde. O. Waar ligt nu wat? Ineens begrijpt ze de zin van het saaie zaaien in rechte rijen, zoals Buurman en eigenlijk iedereen dat doet. Begin en einde van onder de grond verstopt spul aangeven met twee stokjes, draad ertussen, helder.
En handig tijdens het wieden, zoals mevrouw Onkruid in de loop der weken merkt. Want wat is nu wat? Is dat glimpje groen het voorzichtige begin van een aardappelplant? Of het door Buurman zo gehate heermoes; een groen sprietig plantje zonder bloemetje of wat, dat zich razendsnel over de tuin verspreidt, in moordtempo de lucht in schiet, en daarom zo snel mogelijk met wortel en tak moet worden uitgeroeid?
Heermoes is een plant uit de paardenstaartenfamilie, leest mevrouw Onkruid later thuis. Dat klinkt knus. Vormde de meest voorkomende begroeiing tijdens de tijd van de dinosauriërs. Is altijd overal de eerste die komt, de laatste die verdwijnt. Een sterke overlever, moeilijk te bestrijden. Dus onkruid. Zeggen de mensen.
Mevrouw Onkruid wiedt niet alles wat ongevraagd verschijnt. Want sommige groeisels zijn mooi. Bovendien: mevrouw Onkruid heeft haar tuin niet alleen. Het feit dat zij degene is geweest die haar handtekening zette onder een vele pagina’s tellend jaarcontract geeft haar niet ineens het alleenrecht over dit stukje grond. Ze deelt het, met snelle spinnen, ontelbaar veel regenwormen, glimmende kevertjes, prikkende mieren, vogels, en een rat.
Een rat? Buurman twijfelt. Muizen ja, die ziet hij ook, maar een rat, nee, nog nooit. Mevrouw Onkruid pakt de natuurgids erbij die ze ooit van haar opa kreeg. Met daarin tekeningen van bomen, schelpen, bloemen, dieren. En kijk, daar staat ‘ie, dat beest heeft mevrouw Onkruid door de tuin zien rennen: de bruine rat. Ook wel bekend als rioolrat. Buurman weet het niet.
Een paar dagen later wel. Dan namelijk is de rat dood. Aan de rand van het pad ligt ‘ie, op z’n rug, zonder zichtbare verwondingen. Oud misschien. En ja, nu ziet Buurman het ook: dit is een rat. Was.
Voor avonturen hoef je helemaal niet ver weg, weet mevrouw Onkruid inmiddels. In een volkstuin gebeurt altijd wel wat. Je moet het alleen leren zien. Ze knipt haar eerste stengels rabarber af. Niets voor hoeven doen. De natuur is gul. Op naar een pan.

terug