onderweg
knollentuin
allerlei
links
contact
bollen




Mevrouw Onkruid & haar knollentuin

13 - Geen kabouters




Derde jaar, januari/februari






Een nieuwe tuin voelt net zo onwennig als een nieuw huis. De vaste loopjes, handen die zonder ogen wisten waar zich wat bevond; mevrouw Onkruid is ze kwijt. Ontheemd staat ze tussen de resten van wat haar voorganger, overvallen door ziekte, achterliet. Tussen het kniehoge onkruid is soms nog iets te zien van waar hij mee bezig was: aardbeien, boerenkool, worteltjes. Mevrouw Onkruid vindt zelfs nog een paar aardappelen. Roze. Die gaan mee naar huis, om samen met de rode uien uit haar vorige tuin een kleurig ovengerecht te vormen.
Verder ligt er vooral veel troep. Stukken hout, stukken plastic, stukken glas. Mevrouw Onkruid is dagen bezig met het opruimen ervan, met het opnieuw zwartmaken van een tuin.
Dat blijkt een goede manier om haar nieuwe plek te leren kennen. Om te beginnen is het hier stil. Er vliegt wel eens een vliegtuig over, maar auto’s komen er niet, in het bos. Wel ganzen, hoog boven mevrouw Onkruid’s hoofd, en paarden, over het pad aan de andere kant van de sloot, al dan niet voor een kar. En een haas. Ineens zag mevrouw Onkruid hem, toen ze er even bij was gaan zitten. De haas nam geen notie van haar en vond een hoekje in de zon. Daar bleef hij, kennelijk op z’n gemak. Mevrouw Onkruid durfde niet meer te bewegen.
Ergens in haar leeft een fantasie, een fantasie over een vrouwtje dat bedeesd buiten rondscharrelt en zich daar altijd omringd weet door dieren. Vogels, hertjes, konijnen. Die weten dat ze niet bang voor haar hoeven te zijn en eten uit haar hand. Zou het ooit zover komen, tussen haas en haar?
Behalve dagdromen en puinruimen is er in de winter in een tuin niet veel te doen. Mevrouw Onkruid kan het toch niet laten er te komen. Al was het maar om elke keer even zuchtend om zich heen te kijken: wat een luxe, dat dit zomaar kan, op zo’n prachtige plek vrij zijn om te planten wat je wilt.
O nee, dat is niet waar, althans: niet helemaal. Ze herinnert zich de drie eerste regels waarmee de volkstuinbeheerster haar confronteerde: geen bomen, geen gras, geen kabouters. Geen bomen want die groeien groot en geven dan problemen. Bovendien: waarom zou je bomen planten in een bos? Geen gras, want dat is troep en krijg je nooit je tuin meer uit. En geen kabouters omdat die voor iets staan wat deze vereniging niet wil uitstralen.
Dat zijn regels waarmee mevrouw Onkruid goed kan leven. En voor haar hangmat zal ze dan maar een paal slaan.
Ondertussen stopt ze bollen in de grond. Weinig geeft zoveel goede moed als bolletjes die er juist in de donkerste en koudste maanden van het jaar in slagen groeikracht te vinden. Tussen het dorre bruin zullen ze straks als eerste met hun felle kleuren het begin van een nieuw tuinjaar aankondigen. ‘Verwildering mogelijk’, las mevrouw Onkruid op de zak waar ze inzaten. Doe maar. Mevrouw Onkruid vindt het fijn als bloemen hun eigen leven leiden en op verrassende plekken bovenkomen.
Ook gaan er bollen in de struiken. Vetbollen. Als mevrouw Onkruid lief is voor de vogels, landen ze op een dag misschien wel op haar arm.

terug