onderweg
knollentuin
allerlei
links
contact
Cambodja





De lokroep van een boom





CAMBODJA – 2009






Wie aan het wankelen gebracht wil worden, kan een verblijf in Cambodja overwegen. Alles is er anders, inclusief je eigen rol in het dagelijks bestaan. Omringd door palmbomen, gekko’s, stof, bedelaars, handgrote vlinders en een niet-aflatende verkeersstroom dienen zich talloze vragen aan. Waardoor een reis naar buiten hand in hand met een reis naar binnen gaat.


Het kwam door een boom. Die riep. Ik zag ‘m op een foto, vergroeid met een huisje. Waar was dat wonder gebeurd? Deze innige verstrengeling tussen natuur en bebouwing wilde ik in het echt zien, ter plekke ervaren. De standplaats van de boom bleek Cambodja.
Ik moest dus naar het Verre Oosten. Naar een land waar nog maar dertig jaar geleden onder de dwingende leiding van Pol Pot werd geprobeerd een communistische samenleving te realiseren, waarbij naar schatting een vijfde deel van de bevolking het leven liet. Het land dat in de jaren zestig en zeventig kapotgebombardeerd werd door de Verenigde Staten. Het land waar zich nog steeds met enige regelmaat grotere en kleinere schermutselingen voordoen. Kun je daar dan gewoon naartoe reizen?
Het kan. Hoewel tijdens mijn vier weken durende verblijf in het dappere Cambodja met z’n tanige, hardwerkende, verlegen lachende bewoners meermalen de vraag rees: kan dit echt wel? Mag je op vakantie gaan naar een ontwikkelingsland? Naar een plek waar aan de ene kant van de straat een door een Zwitser opgericht kinderziekenhuis staat waar dag en nacht hele families voor de poort wachten, en even verderop een sterrenhotel, met zwembad en strak gekapte gazons. Waar faciliteiten als internetcafés als paddestoelen uit de grond schieten op maar een paar kilometer afstand van palmbladen hutjes zonder elektriciteit.
Van het geld dat mijn ticket kost, kan een gezin een jaar eten. Wat ik hier op een dag uitgeef – ergens slapen, iets eten, paar ritjes achter op de brommer, toegang betalen voor het een of ander, zwervers wat toestoppen – verdienen veel Cambodjanen met moeite in een maand: twintig dollar. Want behalve met de nationale munt; de riel, die alleen in briefpapier bestaat, betaal je hier met dollars. Het geld van de voormalige (?) vijand.

Varkens
Veel is voor mij onbegrijpelijk in Cambodja. Daarvoor zijn een paar verklaringen. Ik spreek geen Khmer en kan de donkere gezichten van de bewoners niet lezen. Bovendien bezoek ik voor het eerst een niet-westers land, en kijk alleen al om die reden m’n ogen uit. Ook mijn oren en neus maken overuren. Alles is hier anders dan ik gewend ben. Echt alles. Simpel voorbeeld: als ik achter op de brommer van het vliegveld van Siem Reap naar een guesthouse rijd, passeren we een andere brommer. Achterop liggen twee varkens, op hun rug, stevig vastgesnoerd met touw. Ze leven. Nog wel.
Ik ben de enige die slikt. Maar zal dat een maand later, op de terugweg, nauwelijks meer doen. Deels is dat gewenning; elke dag zie ik varkens en grote bossen samengebonden eenden en kippen ondersteboven hangend levend vervoerd worden naar hun plek des doods. Je kunt niet blijven huilen.
Anderzijds heb ik inmiddels gezien dat die varkens en kippen tot deze laatste paar uren van hun leven die een hel moeten zijn, een prima bestaan hebben. Ze scharrelen zich suf onder en rond de houten huizen waar ze met Cambodjanen wonen. Nemen wanneer het hen uitkomt een modder- of zandbad. Slapen naast de hondjes. Maken een ommetje.
In Nederland zie ik nooit een varken. Zelden een kip. Ze liggen wel dood en onherkenbaar in de supermarkt. Maar daar gaat een ongezien en zielloos leven aan vooraf. Dus berg je oordelen maar op. Hier gaan de dingen anders. En het is maar de vraag of het slechter is. Deze vier weken durende onderdompeling in Cambodja blijkt een ontwrichting en verrijking. Een reis naar buiten en naar binnen.

Praktijkcursus
Niet alleen de omgeving is anders. Ik ben het zelf ook. Niet eerder in m’n leven was ik zo groot, wit, rond en rijk. Overal waar ik kom, word ik gezien. Kleine kinderen lachen, joelen en wijzen als ik in aantocht ben: een barang! Oftewel buitenlander. Peuters en kleuters vormen een wuifhaag langs de stoffige zandpaden waarover ik fiets, roepen eindeloos hello en bye bye, staan als ik achterom kijk nog altijd te zwaaien. Oudere kinderen en volwassenen groeten ook, maar zij zijn vaker verlegen en moeten giechelen. Zoals de grote groepen schoolmeisjes en schooljongens, die fietsen met een schriftje beschermend tegen de zon boven hun hoofd. Ze dragen allemaal een blauwe rok of broek en witte blouse. Onbegrijpelijk hoe zij zo schoon en zweetloos blijven, daar waar ik in de hitte binnen korte tijd bedekt raak met een laagje oranjebruin stof en geen droge draad meer om mijn lijf heb hangen. Misschien fiets ik te snel. Het Hollandse tempo raak je niet zo maar kwijt, ook al is het elke dag ruim dertig graden. En dan is het hete seizoen nog niet eens begonnen.
Behalve een soort koningin die veelvuldig wuift naar de omstanders, is mijn rol hier die van een wandelende kassa. Overal probeert iedereen geld aan me te verdienen. Meestal door iets te verkopen. Een ananas. Een mango. Gezoete rijst in bamboestokken. Gedroogde vis. Houten armbanden. Ansichtkaarten. Een plastic blokfluit. Een zakje krabben. Gefrituurde krekels. Dingetjes gemaakt van schelp. En als ik niet direct nee zeg, dus lijk te aarzelen, vragen de vrouwen en kinderen wat ik dan wel wil, want dan zorgen ze daarvoor.
Verder is het onmogelijk een stap te zetten zonder contact met de jongens en mannen die brommers en tuktuks besturen. Waar wil je heen? Geen bestemming is te gek. Uren en uren op de brommer over hobbelige wegen - aan helmen doet men hier niet of nauwelijks - naar een grot, waterval, peperplantage, jungle, stad of dorpje in een andere provincie; geen probleem. En als het ene ritje is gemaakt, spreken de heren bestuurders bij voorkeur direct weer iets af. Voor straks, morgen, of daarna. En ze staan er, welk moment van de dag of nacht dan ook.

Verkeerscircus
Ik zie wel eens witte busjes, gevuld met toeristen. Blanken of Aziaten. Die kijken op veilige afstand door de ramen naar buiten naar het circus dat zich daar afspeelt. Naar de niet-aflatende activiteit, van mensen van alle leeftijden, en dieren. Maar veel leuker is het om je in het gewoel te begeven.
Op straat bewegen koeien, peuters, oma’s, mannen en vrouwen met handkarren, een paar auto’s, duizenden brommertjes en tuktuks, nog veel meer fietsen, rijdende winkeltjes, kippen, hondjes, ossenkarren, bussen, pick-up trucks met zeker zestig mensen achteropstaand, en meer, zich doorlopend door en langs elkaar. Cambodja maakt boekenwijsheden aanschouwelijk en inzichtelijk: het leven is een stroom, voortdurend in beweging.
Ik denk aan de fietsexamens op Nederlandse basisscholen als ik kleuters met z’n tweeën op een fiets zie pedalen. Ketting eraf? Geen probleem. Even afstappen, ketting terughangen, verder fietsen. Hier geen veilige stoeltjes met riemconstructies; peutertjes klemmen zich terwijl ze gehurkt op de bagagedrager zitten vast aan de zij van hun moeder. Verkeerslichten? Strepen op de weg? Niet hier. Hele gezinnen verplaatsen zich op een brommer, de kleintjes staan voorop tussen de benen van de bestuurder, en leren aldus het verkeer lezen.
Toeteren betekent inhalen, dus stil is het nooit. Langs de stoep van een soort snelweg vegen vrouwen stof op een blik. Levensgevaarlijk. Volkomen zinloos bovendien. Later in een bos blijkt blaadjes opruimen ook werk te zijn. Rondom de verzamelde bergjes, klaar om afgevoerd te worden, dwarrelt nieuw blad omlaag. Maar ook hier lijk ik de enige te zijn die zich erover verbaast. Met die verbazing moet ik trouwens oppassen. Wie zich op een fiets begeeft, dient vervolgens wel op te letten. Het verkeer in Cambodja blijkt een heftige praktijkoefening mindfulness en overgave. De paar keer dat ik toch even achterom kijk naar iets wat ik passeerde, of mijn gedachten laat afdwalen, leidden alleen maar niet tot een botsing door alertheid van de ander. Duidelijk. Vanaf dan ben ik nog nooit zo in het hier en nu geweest als hier, en nu. Je hebt geen keus. Tenminste, als je de dag zo ongeschonden mogelijk door wilt komen.

Cambodja

Olifantendeur
De boom die riep blijkt te staan in de nationale trots en voornaamste toeristenattractie van Cambodja: Angkor Wat. Verspreid over een gebied zo groot als de provincie Utrecht bevinden zich hier tientallen ruïnes van tempelgebouwen en paleizen die onderdeel vormden van het machtige rijk dat de voormalige Khmer-hoofdstad Angkor was (‘Angkor’ betekent ‘stad’; ‘Wat’ ‘tempel’). Ze stammen uit de negende tot dertiende eeuw en zijn in verschillende staten van verval.
Dat doet niets af aan de indrukwekkendheid. Nader Angkor Wat en afmetingen en verhoudingen veranderen. Mensen worden mieren oog in oog met de ontzagwekkende bouwsels die zonder enige motorische hulp tot stand gekomen zijn. Hoe?, is hier de hoofdvraag. Hoe deden ze het, hoe lang duurde het voordat zo’n tempel waar je een dag in kunt dwalen af was, hoeveel levens kostte het, hoe kwamen die enorme stenen hier? Een ingang die ook geschikt blijkt voor olifanten licht een klein tipje van de sluier.
Maar wat Angkor Wat vooral verpletterend duidelijk maakt, is waar geloof in een god een mens toe kan brengen. En ook hier, als overal, zijn de verschillen groot. Tussen toen en nu, rijk en arm, wij en zij. Misschien komt het doordat Cambodja (voornamelijk) boeddhistisch is, dat de bewoners zich met de grote tegenstellingen en heftigheden lijken te kunnen verzoenen. In dit leven zijn de rollen zo, wie weet in het volgende weer omgedraaid. Een nauwelijks gekleed meisje schooit in vuilnis, een paar meter verderop ligt een gebraad varken op een altaar. Toeristen laten zich verwennen in een resort, grote delen van de bevolking hebben niet eens de beschikking over schoon drinkwater. Baden, kleren wassen, poepen, plassen, koken en varen gebeurt vaak allemaal in en met hetzelfde water; dat wat er toevallig in de buurt stroomt. Niet verwonderlijk dat Cambodja het land met de op een na grootste kindersterfte in Azië is. De een werkt van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat in stof en herrie, en verdient daarmee een paar dollar. De ander geeft dat bedrag achteloos uit aan een kokosnootmilkshake die binnen een paar minuten op is, en geniet ervan dat je hier met weinig geld lang en lekker kunt verkeren.
Zo wonen er in het junglebos dat het grootste deel van Angkor Wat’s schatten bevat tientallen, misschien wel honderden, mensen verscholen tussen de bomen. Ze komen tevoorschijn als de toeristen naderen (de eerste zijn er al om halfzes, vlak voordat de zon opkomt, iets wat prachtig te zien is vanaf een van de monumenten), in de hoop geld te kunnen verdienen. Met tussen stokjes gegrilde waar vanaf hun barbecue, flesjes koud water vanuit een koelbox met in stukken gezaagde blokken ijs, T-shirts, gidsen, en en en. Hun huizen zijn al eeuwen hetzelfde: zelfgebouwd, van bamboe en palmbladen. Jong en oud stookt fikkie, hoedt koeien, plukt vruchten, vangt vis, en luiert tussen de bedrijven door in een altijd wel ergens hangende hangmat. Als ons een natuurramp treft, weten zij te overleven. Ik kan niks waar ik op dat moment iets aan zou hebben. Wie is hier nu eigenlijk rijk? Wie weet het leven nu het best te leiden? Ik ben omringd door raadsels, en elke dag komen er nieuwe bij. De wereld wordt groter en onbegrijpelijker. En dan heb ik de boom waar ik voor kwam nog niet eens gezien.

Fotopodium
Ineens zie ik een glimp. Om een hoek. Ik ben al over ingestorte delen van voormalige tempelmuren van het deel van Angkor Wat dat Ta Prohm heet geklommen, sta per ongeluk op ettelijke bewijsfoto’s die mensen achter camera’s doorlopend maken, heb me verbaasd over de groeikracht en -vorm van de eeuwenoude bomen hier. Hun reuzebeendikke wortels kronkelen als slangen, hangen gedrapeerd over muurtjes, waaieren uit als de rok van een bovenformaat dame. Ze zijn de basis voor de stam die tientallen meters hoger pas tot een eind komt. In de takken huizen roepende vogels en zingende krekels. Deze junglebomen hebben stuk voor stuk een groot gevoel voor drama. Een overdonderende omgeving.
En dat terwijl het hier nu toegankelijk is gemaakt voor bezoekers. Hoe zou het geweest zijn toen de Fransman Henri Mouhot in 1860 tijdens een drie jaar durende reis door Azië op Angkor Wat stuitte? Hij schreef erover, waarna Frankrijk – Cambodja was van 1884 tot 1953 een Franse kolonie – besloot tot restauratie, wat de aftrap was tot de exponentieel groeiende toeristenstroom; inmiddels twee miljoen mensen per jaar.
Die betalende bezoekers doen het land veel goed. Maar ook kwaad. De infrastructuur verbetert, veel mensen vinden werk in de toeristenindustrie, er komt meer geld binnen. Maar ook worden er primitieve dorpjes zonder pardon weggevaagd om plaats te maken voor nieuw te bouwen hotels met zeezicht, groeit de kloof tussen arm en rijk met de dag. Draagt hier op vakantie gaan bij aan de opbouw of afbraak van het land? Ik weet het niet. Of eigenlijk wel: allebei.
Al die vragen en twijfels nemen niet weg dat het geweldig is om in Cambodja te zijn; land van suikerpalmen, gekko’s en grote grijnzen. Natuurlijk, mijn ervaringen zijn voor een groot deel die van elke Westerling die voor het eerst in Zuidoost-Azië komt. Clichés dus. Maar zie het leven maar eens zonder platgetreden paden te leiden.
En de boom, de boom die riep, die alleen al blijkt de moeite van de verre reis waard geweest te zijn. Het is raar om iets wat je zo goed van een plaatje kent ineens op ware grootte voor je neus te zien. Bovendien voelt het als een ontmoeting, alsof daar iemand staat waar ik verliefd op ben of me anderszins enorm op verheugd heb. Maar elkaar in de armen vallen is geen optie. Mijn armen zijn te kort, zijn wortels veel te groot. Bovendien is er een podiumpje getimmerd tussen mij en de boom, om iedereen de kans te bieden vereeuwigd te worden met dit natuurwonder. Klik, klik, klik. Gelukkig pakken foto’s niks af van het originele beeld. Dan zou het met deze woekerende schoonheid snel gedaan zijn.

terug