onderweg
knollentuin
allerlei
links
contact
Polen

Tijdreis naar Polen

POLEN - 2008


Het kwam door een paar woorden: kar, paard, Duizend meren gebied. Die lokten me naar Polen, en mijn twee zonen wilden mee. Na een spoedcursus mennen zitten drie voormalig paardenleken op een bok. Een oma op een fiets haalt ons in. ‘Dit is veel leuker dan autorijden.’


‘Prrr! Prrrrrrr! Stoei!’ Mijn zonen en ik doen er verbaal alles aan om ons paard tot stilstand te krijgen. In het Pools, want in Polen verstaan paarden geen hu en ho. Hier luisteren ze naar pr en stoei.
Ik trek aan de teugels en trap op de rem van onze huifkar. Na een uur of twee sjokken over zandpaden tussen graanvelden, klaprozen en korenbloemen naderen we nu een asfaltweg. Die moeten we oversteken om ons slakkengangetje verder voort te kunnen zetten. Niet dat hier veel auto’s rijden, maar toch.
Mijn oudste zoon (14) pakt het paard bij haar halster, kijkt naar links en rechts, ziet dat de kust is veilig is. M’n jongste zoon (11) maakt een soort kusgeluid ter aanmoediging, ik geef een klopje met de teugels, en daar gaan we weer. Stap stap stap stap.
We zijn op vakantie met een paard. Verplaatsen ons in het tempo van vele decennia geleden. Maken een soort tijdreis.
Het leek me niet zonder risico’s. Mijn zonen zijn westerse jongens van nu: ze spelen het online spel World of Warcraft, hebben een iPod en mobiele telefoon. Er gaat in het gewone leven geen dag voorbij zonder media, elektronica, apparatuur. Bovendien: ik ben geen paardenmeisje. Hing niet rond in maneges, zat nooit op les, had geen abonnement op de Penny. Mijn enige echte paardenervaring dateert van twaalf jaar geleden. Toen ben ik gebeten door een enorme zwarte hengst. Zijn tandafdrukken staan nog steeds in mijn zij.
En toch, toch zitten we hier nu met z’n drieën op de bok van een huifkar om een paar dagen door Polen te trekken.
Het was de romantica in mij. Die werd onweerstaanbaar aangetrokken door de woordencombinatie paard, kar en Duizend meren gebied. Ze vielen toen ik hoorde over de Nederlander Bert Beuvink die al een aantal jaar in het dorpje Uzdowo in Polen woont en daar paardenvakanties organiseert. Onder andere met Poolse koudbloeden: rustige, vriendelijke paarden, geschikt voor onervaren menners.
Ik was verkocht. Ook mijn zonen reageerden, tot mijn verbazing en grote vreugde, enthousiast. Dus pakte ik onze koffers en vlogen we naar Warschau. Waarna we nog een kleine drie uur met de auto richting het noorden van dit forse land, acht keer groter dan Nederland, moesten rijden. Maar toen waren we dan ook terug in de tijd en kon het grote onthaasten beginnen.
Een oma op een fiets haalt ons in. Ze rijdt niet eens hard.


Luxenomaden

‘Pólen???’ Bijna niemand reageert positief als ik over onze vakantiebestemming vertel. Niet omdat er nu zoveel negatiefs over dit land bekend is, het lijkt eerder onwetendheid. Polen roept het beeld op van grijs, grauw, arm en saai; van een onbegrijpelijke taal en raar eten: zuurkoolsoep, gekookte varkenspoten en reuzel.
Na enig nadenken zijn er herinneringen aan Lech Walęsa, de havenarbeider uit Gdánsk die zich ontpopte tot vakbondsleider en in 1990 - na bijna vijftig jaar communisme - de eerste vrije presidentsverkiezingen won. Maar verder? Zeg ‘Polen’ en mensen denken aan een winderige vlakte waar voormalig concentratiekampen toeristische attracties zijn geworden. Wat heb je daar in godsnaam te zoeken?
Ik moet zeggen: ook míjn kennis van Polen was beperkt. Ja, nú weet ik dat er bergen zijn, kusten met hoge duinen, een oerbos, wisenten, wolven, elanden, lynxen. Dat componist Chopin er vandaan komt, uraniumdeskundige Marie Curie, sterrenkijker Copernicus die concludeerde dat de aarde om de zon draait in plaats van andersom. Maar dat is achteraf praten.
Wat ik hoopte was dat Polen vooral leeg zou zijn. Leeg en ongerept. Zoals het veld achter het rijtjeshuis waar ik opgroeide, vol wilde bloemen, slootjes, modder, en met een kilometers ver uitzicht. Braakliggend terrein waar het goed spelen was. Bestaat natuurlijk allang niet meer.
Reizen naar Polen staat in meerdere opzichten voor terug naar toen. En ergens wringt dat. Vanuit ons rijke leven hier gaan we met vliegtuig en auto op weg naar paard en kar. Om ons te verlustigen aan omstandigheden die voor de Polen zelf helemaal niet altijd zo mooi zijn. Wij juichen: hier zijn nog boeren die het land met paard en ploeg bewerken! Er is nauwelijks verkeer! De wegen mogen slordig zijn! Bouwvallen blijven staan en worden ruïnes! Om na een week van gelukzalige onderdompeling in die louterende, ouderwetse manier van leven onszelf weer zo’n achthonderd kilometer naar links te verplaatsen en te genieten van alle faciliteiten hier. Luxenomaden. Polenkenner Bert stelt me enigszins gerust: veel Polen zijn zo ontevreden niet. Althans, hier in Mazurië. Ze zijn zich bewust van hun rijkdom - die volkomen anders is dan de onze - en genieten ervan. Polen weten het leven goed te leiden: als het mooi weer is gaan ze naar een meer, zetten een tentje op, vangen en eten vissen. Of ze schieten een zwijn, maken een kampvuur, prikken een worst aan een stok, roosteren die boven de vlammen gaar, drinken er een wodka bij, en nog een, en nog een, kijken naar de weergaloze sterrenhemel.
Ja, dat is een romantisch beeld, en ik zie het graag voor me.
Maar, nuanceert Bert, het bestaan hier kan ook zwaar zijn. De winter duurt lang en is koud: twintig, dertig graden vorst en een dik pak sneeuw. Er is werkloosheid, er zijn drankproblemen. Het Poolse woord voor water is ‘woda’. Scheelt maar één letter met de nationale volksdrank: wodka; water met spiritus.


Spoedcursus

Ik moet eerlijk zeggen: na een dag bij Bert op zijn boerderij betwijfelde ik of we ooit zouden vertrekken. Paardenmeisje word je niet zomaar. Ik zag de kar: best groot. Het paard: enorm. En een kilo of zeshonderd zwaar. Zie die kracht maar eens jouw wil op te leggen.
Bovendien is er het tuig waarmee dier en wagen verbonden moeten worden. Een in eerste instantie volstrekt onoverzichtelijk, zwaar en groot geheel van leren riemen. Ik moet leren dit over paardenhoofd en paardenrug, en onder paardenstaart te draperen. Terwijl mijn ene huiverige zoon Kropka (‘Stipje’) bij het halster houdt en de andere me helpt met het vastmaken van allerlei gespen. Ondertussen proberen we goed op onze voeten te letten, die angstig dicht bij vier paardenhoeven staan.
Hoe verantwoord is het eigenlijk om zo onervaren een paar dagen met z’n drieën op pad te gaan? Wat dacht ik, toen ik thuis rokjes en slippers in de koffer stopte? En een tekenblok en waterverf, voor wat schetsen van de landschappen die we zouden passeren? Ik had beter een extra spijkerbroek en stevige laarzen kunnen meenemen.
Maar: onze spoedcursus werpt zijn vruchten af. Ik leer mennen, we wandelen met het paard aan een touw door een bloemenveld, zetten het dier op stal, geven haar water en hooi, poetsen de superzachte vacht tot ‘ie glimt en incasseren een duw met het grote hoofd als het geven van een kopje.
En dan, drie dagen na aankomst, mogen we op pad. Met een kaart in de hand het Duizend meren gebied Mazurië in. Het is een simpele tekening van de landelijke omgeving van het dorp Dąbrówno, vol velden, kleine bossen en meren. Bert geeft per dag met pijltjes langs de wegen aan hoe we moeten lopen. ’s Avonds komt hij langs om te zien of we de plaats van bestemming bereikt hebben: een van alles en iedereen verlaten wonderschone plek aan een meer, een oude school ingericht als pension, of een boerderij.


Polen

Paardenkont

Rijdend op onze kar passeren we enkele dorpjes. Hoewel; dorpjes? Een groepje huizen midden in niks. Soms staan er een paar lage, grijze flatgebouwen; overblijfselen van de communistische bebouwing: een grote boerderij met daaromheen simpele woningen voor de arbeiders.
De weinige mensen die we daar zien staren ons meestal aan. Ons ingestuurde ‘dzień dobry’ (hallo, dag) wordt vooral beantwoord door de oudere Polen. De vrouwtjes die op een bankje tegen een huismuur zitten, de mannetjes die kromgebogen in hun moestuin staan. Bij kinderen en jongeren werkt onze begroeting niet. Zij lijken ons vooral raar te vinden. En misschien zijn we dat ook.
Maar raar of niet, wij hebben een van de leukste vakanties van ons leven. Verplaatsen ons in wandeltempo van trekpaard Kropka van de ene slaapplek naar de volgende. Zitten uren op de bok van een huifkar, kijken naar een grote paardenkont met een insecten wegzwaaiende staart ervoor, genieten van de veranderende omgeving, verbazen ons over de weidsheid van de lucht. Veel leuker dan autorijden, vinden m’n kinderen. Dit keer geen geklaag vanaf de achterbank, maar gedeeld geluk op de bok.
Het land glooit, staat vol goudkleurig graan en witbloeiende aardappelvelden, toont tussen al het groen en geel glimpen van blauwe meren. We zien libelles, vlinders, hazen, ooievaars, een vos, een ree.
En vliegen, heel veel vliegen. Ons arme paardje wordt belaagd door vliegende bloedzuigers en eitjesleggers in vele soorten en maten. Als het te erg wordt stappen we af en smeren haar in met dazenwerende olie.
De geur daarvan doordrenkt ook onze kleren. Na een dag zijn we alledrie viezer dan we ooit waren: stof, paardenhaar, zweet en zand verzamelt zich op onze broeken, gezichten en in haren, nagels hebben zwarte randen. Lekker, het lijkt net of we op schoolkamp zijn, verzucht mijn oudste zoon.

Wildplasplaats

Steeds als we na een uur of drie rijden aankomen bij het doel van die dag, moeten we eerst aan de slag: voor het paard zorgen. Zij heeft al die tijd hard gewerkt, trok een paar honderd kilo achter zich aan onder de hete Poolse zomerlucht en heeft het warm, honger en dorst. Mijn zonen en ik worden een team en leren steeds sneller alle riemen weer los te maken en het paard met een tien meter lange, zware ketting aan een dikke pin op een voedselrijke plaats vast te zetten. We lopen af en aan met emmers water - dertig liter klokt Kropka moeiteloos in een halve minuut naar binnen - en kunnen pas dan op zoek naar een wc of wildplasplaats, zelf iets eten en drinken, onze tent opzetten, op strobalen springen, de omgeving verkennen. En, zo leren we pijnlijk snel: ons met anti-muggenspray inspuiten. Zeker in de buurt van water hebben steekbeesten onze onbedekte huid in moordtempo gevonden.
We slapen op een paar meter afstand van ons onophoudelijk grazende paard, horen haar briesen tussen onze dromen door, worden vroeg gewekt door de zon, halen weer tientallen liters water en vullen een emmer met haver. Paardenbrinta.
Erg leuk werk om te doen en alle moeite meer dan waard. Want daarnaast zwemmen we in meren zo groot en mooi als we niet eerder zagen. Wandelen zingend langs Grunwald; de plek waar zich zeshonderd jaar geleden een veldslag afspeelde tussen Pools-Litouwse en Duitse ridderlegers. Eten frytki (patat is een van de weinige herkenbare en dus ‘veilige’ gerechten op de kaart) in simpele restaurantjes. En zien zelden andere mensen. Als er al medetoeristen zijn, houden ze zich goed voor ons verborgen. Na vier dagen rijden we terug naar Bert en zijn stallen. We zijn moe, vies en gelukkig. Hoeveel hebben we ongeveer afgelegd, wil ik weten. Honderd kilometer, schat Bert. Een rondje waar je met de auto maximaal anderhalf uur over doet.

terug