onderweg
knollentuin
allerlei
links
contact
japans bord


























Bewogen land
























JAPAN – April 2011























Het is een vreemde ervaring als het land waar je al jaren naartoe wilt vlak voor vertrek wereldnieuws wordt. Ondanks de aardbeving en tsunami in maart 2011 gevolgd door de nucleaire problemen in Fukushima ging ik een maand naar Japan, waar zelfs de poppetjes op verkeersborden buigen.


In de trein van het vliegveld naar Tokio zie ik plat land. De was wappert aan de lijn, paardebloemen bloeien, er staat een molen met ernaast een Nederlandse vlag. Ben ik daarvoor een dag en een nacht onderweg geweest? Om hetzelfde te vinden als thuis, maar dan met Japanners? Geisha, kimono en ikebana lijken hier net zo ver weg als ruim negenduizend kilometer terug. Hoewel: in het vliegtuig vouwde de Japanse vrouw naast me een kraanvogel van het oranje servet dat ze bij haar eten kreeg. En maakte er vervolgens een foto van, waarbij ze veel moeite deed de vogel – symbool voor vrede, welvaart, een lang leven en geluk – rechtop te laten zitten. Vouwkunst, origami; iets waar elke Japanner vertrouwd mee is.
Ondanks de onbegrijpelijkheid van de taal blijk ik meer Japans te kennen dan ik wist. En kom ik in Japan van oorsprong Nederlandse woorden tegen: kōhii (koffie), biiru (bier), dansu (dans), inki (inkt). Een gevolg van de periode van 1641 tot 1853, waarin Japan zich afsloot voor handel en ander contact met de rest van de wereld, maar, onder strenge voorwaarden, een uitzondering maakte voor een kleine delegatie Hollandse en Chinese handelaren.
Dat mag zo zijn, ook met een Japanse taalgids in de hand blijft mijn verbale contact in het land van de gastheer meestal beperkt tot hallo, dag, dank u, ja, nee en sorry. Onze klanken zijn zo verschillend dat mijn Japans onbegrijpelijk blijkt en het door Japanners gesproken Engels vaak onverstaanbaar is. Maar dan bewijzen wijzen en vriendelijkheid hun waarde. En buigen, veel buigen. Zelfs de getekende poppetjes op de verkeersborden die zich verontschuldigen voor overlast door werk aan de weg doen het.

Oog voor detail
Een reis begint al lang voordat je ‘m feitelijk maakt. De aanleiding ervoor is niet altijd precies te herleiden. Naar Japan? Waarom? Die vragen werden me niet pas gesteld na 11 maart, toen Japan na een forse beving en een verwoestende reeks golven het wereldnieuws domineerde. En ik was zelf ook benieuwd wat me nu zo in dat land aantrok. Vaak als iets me intrigeerde, bleek het uit Japan te komen. Zenboeddhisme, aardewerk met een oneffenheid juist om het te perfectioneren, subtiele bloemsierkunst in ongewone vazen, de drieregelige gedichtjes met een voorgeschreven aantal lettergrepen per zin die ‘haiku’ heten. (‘Afscheid van ’t voorjaar: / de vogels schreien; tranen / in ’t oog van de vis.’ Aldus de in Japan nog altijd vereerde dichter Bashō, al is hij al ruim driehonderd jaar dood.) Een vermoeden van stilte en toewijding, oog hebben voor detail. Nieuwsgierigheid naar een omgeving waar ik in alle opzichten een vreemde ben maar die desondanks iets aanraakt wat ik herken. De Japanner in mij, zal dat het zijn? Waarvoor je stilte nodig hebt om ‘m te ervaren? Vandaar al die afgezonderde bemoste tuintjes, met water waarin karpers zwemmen, en ingericht met rotsige stenen met een symbolische betekenis, alleen al door de vorm.
Vooralsnog voel ik me een olifant in een porseleinkast – iedereen is kleiner dan ik – en moet ik tijdens de eerste dagen dat ik in Japan ben vooral oppassen dat ik mijn hoofd niet stoot aan deurposten en handvatten in trein en metro. Dat ik de overal aanwezige, binnenshuis te dragen slippers aan mijn te grote voeten weet te houden en niet vergeet weer uit te doen als ik op tatamimatten stap. Dat ik in het hotel mijn yukata (een soort simpele kimono van lakenstof) links over rechts omsla in plaats van andersom, want dat wordt met de dood geassocieerd.
Ik probeer me aan te passen aan en onzichtbaar te maken in een omgeving waar bescheidenheid een deugd lijkt, waar men mobiele telefoons in openbare gelegenheden alleen gebruikt voor sms-contact (zonder geluid), waar nooit op straat wordt gegeten, gedronken, gerookt of gerend en nergens troep ligt. Maar hoewel ik mijn best doe en niemand opvallend naar me kijkt, word ik natuurlijk wel gezien, of ik dat nu wil of niet. Ik ben een gaijin, een vreemde, vaak de enige tussen tientallen, honderden, duizenden Japanners om me heen. Zeker nu. Want bijna niemand komt hier kort na de aardbeving meer naartoe, het regent annuleringen, al dan niet ingegeven door de reisadviezen van regeringen. En zo spreiden de gevolgen van de ramp in het Noordoosten zich als een olievlek uit over de rest van het land, dat juist nu elke yen goed kan gebruiken. Rondreizen wordt daardoor een vorm van hulpverlening. En dat in de voor Japanners feestelijkste tijd van het jaar: de paar weken waarin de kersenbomen bloeien.
Die betoverende schoonheid vieren, betekent met z’n allen op blauwe plastic zeilen onder de wolken van fragiele roze bloemetjes zitten, kwetterend als vogeltjes, eindeloos foto’s makend. Hoe zou het fotoboek van een Japanner eruit zien? Iedereen poseert zonder gêne om de beurt voor steeds dezelfde achtergrond en maakt daarbij een V-teken.
Tegelijkertijd lijkt juist in die overdadige aandacht voor dat kersenbloempje iets van het wezen van de Japanner te schuilen: het bewustzijn van het tijdelijke. Na een week vallen alle bewonderde roze blaadjes omlaag, maar ze zijn niet onopgemerkt gebleven.
In Tokio wordt gevraagd de feestelijkheden deze lente op te schorten, uit piëteit met de mensen die sinds 11 maart weinig te vieren hebben, behalve misschien het behoud van hun leven. Zelfs de kersenbomen verdwenen in de zee. En de tante van de vrouw waar ik onderweg een paar nachten logeer.

fotograaf

Hondjes met een hoedje op
Iets beweren over Japan en Japanners na een bezoek van een maand is natuurlijk net zo aanmatigend als zeggen dat Afrikanen altijd blij lijken en zo goed kunnen dansen. Bovendien zegt alles wat me opvalt evenzeer iets over mezelf en het land waar ik vandaan kom. Ervaren zonder oordeel, dat is het mooist, en wordt een stuk makkelijker als vrijwel alles een raadsel blijkt. En vaak blijft, door de afwezigheid van begrijpelijke taal of uitleg ter plekke. Dus ik geef me over aan verwondering en zie de wereld weer voor het eerst. Etalages van restaurants met plastic voorbeelden van het eten binnen; mannen en vrouwen op houten klepperende sandalen met twee dwarse, hoge plankjes als zool; een eeuwenoud tempeltje midden in een moderne winkelstraat. Een drogisterij met tienduizenden producten waar de kleur roze domineert. Grijpmachines gevuld met knuffelbeesten zo groot als een hoofd. Gekapte hondjes in kleren, variërend van jurkjes tot joggingpakken, soms zelfs met een hoedje op. Onnavolgbare Engelse teksten op tassen en truien (‘BRAVE Do not be sorry Do its best’). Een groepje Japanse dames dat ineens stilstaat op de stoep om met gevouwen handen even naar een heiligdom aan de overkant te buigen. Met een draagbaar altaar dansende mannen in witte pakken. Kortgerokte meisjes die bidden voor geluk in de liefde bij een tempel. Japanse toeristen die onder leiding van de gids soetra’s gaan staan zingen voor een duizend jaar geleden gestorven boeddhistische monnik.
In Japan wacht je tot het stoplicht groen is, sta je in de rij voor treindeuren, klinkt nooit getoeter of geschreeuw. Zelfs fietsbellen blijven stil, ook al delen voetgangers en fietsers hetzelfde pad. De oefening van jongs af aan om je onderdeel te weten van een groter geheel en je daarnaar te gedragen, in plaats van jezelf als middelpunt der dingen te beschouwen, werpt vruchten af. Het blijkt veel ruimte te creëren. Iedereen blijft op afstand en op zichzelf (hoewel de wagons gereserveerd voor vrouwen tijdens de ochtendspits er waarschijnlijk niet voor niets zijn). Om aan het eind van de dag in het gezamenlijke bloedhete bad te stappen, of in een natuurlijke bron met naar zwavel stinkend warm water, na jezelf eerst gewassen te hebben onder de douche.
Japan hangt aan elkaar van tegenstellingen. Kijk alleen al naar de wc’s: een rij hokjes met langgerekte wasbakachtige vormen verzonken in de vloer waarboven je dient te hurken, of het ‘western style toilet’. Dat is een porseleinen stoel als bij ons, maar dan met een verwarmde bril en voorzien van een elektronisch bedieningspaneel met knoppen voor doorspoelgeluid om je eigen geklater te overstemmen, en een douche en föhn in plaats van wc-papier.

Sirenes en omroepwagens
Reizen is een verhevigde, of geconcentreerde, vorm van leven. Het gaat over overgave aan het onbekende, vertrouwen hebben, je stappen blijven zetten al weet je niet precies op welke grond je ze zet. Ik ben in die zin niet alleen op reis, al reis ik alleen. Want in zo’n georganiseerd, efficiënt, esthetisch land als Japan, dat net getroffen is door zoiets onbeheersbaars als een aardbeving en tsunami, en dat zich zorgen maakt over de gevolgen van de nucleaire problemen in Fukushima, weet iedereen weer even dat veiligheid een illusie is. Overal, naast de kassa in de supermarkt, op de balie van het hotel, in het museum, staan geïmproviseerde inzamelingspotjes voor het goede doel. Bij een tempel kun je tegen betaling de grote gong luiden voor ‘de slachtoffers’. Maar behalve de direct gedupeerden is iedereen dat in zekere zin; heel Japan is getroffen, aangeslagen.
Dat geeft ook een onverwachte lading aan mijn dagen daar. Als ik net in Kyoto ben, klinken er sirenes en omroepwagens. Ik schrik. Was het dus toch een slecht idee om juist nu naar dit deel van de wereld te gaan? Hoe informeer je je op een plek waar je de taal niet spreekt en leest? Wat als straks alle 130 miljoen Japanners tegelijk dit land willen verlaten wegens nieuw levensbedreigend gevaar en ik daar als toerist bij in de weg loop?
In de auto’s met megafoon op het dak blijken met witte handschoentjes zwaaiende vertegenwoordigers van politieke partijen te zitten, binnenkort zijn er verkiezingen. Er zijn een paar Engelstalige Japanse kranten, er is internet. En vooral: gezond verstand, wat iets anders is dan onbeheerste angst aangezwengeld en gevoed door Het Nieuws, dat zich concentreert op grote getallen en ronkende koppen, en voorbijgaat aan het dagelijks bestaan van iedereen die niet huis en haard verloren is. Want behalve in de gehavende kuststreek gaat het leven in Japan min of meer normaal door. Dat moet ook wel, om het land er weer bovenop te helpen. En daarvoor zijn onder andere toeristen nodig.
Aardbevingen horen bij Japan, elke dag is er wel ergens eentje, zij het zelden zo hevig als in maart in Sendai. Volgens de legende komt dat doordat een reusachtige meerval zich schuilhoudt onder het rijzende en dalende oppervlak van het land. Schoolkinderen oefenen maandelijks wat ze moeten doen als het weer eens zover is, en in mijn hotel in Tokio vind ik ook een lijst met tips.
Dat alles blijft op afstand tot de laatste avond. Dan lig ik op mijn futon, een oprolbaar matras op de grond, en begint ineens de kamer te trillen; de vloer, de muren, steeds heviger, alsof er een enorme vrachtwagen heel dichtbij passeert. Ik weet niet hoe lang het duurt. Tien seconden? Een minuut? Als het weer stil wordt en ik me afvraag of dit het begin is van het einde, hoor ik buiten hooggehakte schoenen voorbij lopen, en daarna gelach.
Voor Japanners ging dit nergens over. Laat ik daarom doen wat ik al weken doe: me gedragen zoals zij, voor zover dat binnen mijn vermogen ligt. Kalm blijven. Beheerst. En daarmee ruimte scheppen. Voor mezelf en voor de ander. De Japanner in me, ik weet nu beter wie dat is. Terug in Nederland zal ik ‘m koesteren. En misschien iets beter kunnen duiden wat ik zie als er op tv verondersteld onaangedane gezichten voorbij komen.



terug