onderweg
knollentuin
allerlei
links
contact
contact-improv




De ander als dansvloer




AMSTERDAM – 2012





Spelende poezen, daarop lijken ervaren contactimprovisatiedansers misschien nog wel het meest. Ze wervelen rond de nek van hun partner, laten elkaar vliegen, elke val wordt een rol op weg naar weer nieuwe bewegingen. Alles ontstaat per moment, vanuit totale aanwezigheid. Luisteren met je hele lichaam blijkt de poort tot een speelveld vol plezier en ongedachte mogelijkheden. En dat is te leren.


Voor een niet-ingewijde kan het er vreemd en spectaculair tegelijk uitzien: contactimprovisatie. Een kluwen van over elkaar heen rollende mensen, de een tilt de ander op, er hangt iemand over een schouder. Voortdurend gebeurt er iets, zonder dat duidelijk te zien is wat waar begint, wie wat initieert. Men danst twee aan twee, er zijn trio’s en grotere groepjes. Het lijkt misschien nog het meest op het spelen van poezen, door de opvolging van spontane bewegingen, de zachtheid van landingen, de soepelheid van lijven. De lichtheid van zijn.
Daar gaat wel iets aan vooraf: les. Gek genoeg moet je leren hoe je je zo vrij kunt bewegen, hoe je zonder plan voortdurend jezelf en de ander kunt ontmoeten in een dans die per moment ontstaat en waarvoor je gebruik maakt van elkaars lichaam.
Tegelijkertijd is dat helemaal niet gek. Gaande onze ontwikkeling ontstaan er gewoontes in hoe we onze lijven gebruiken, voorkeuren voor kanten en houdingen. De mogelijkheden van beweging zijn eindeloos, maar we laten veel onbenut. Dat is makkelijk, veilig, vertrouwd. Kleine kinderen springen nog wel, ze hangen ondersteboven, draaien rondjes, duikelen en buitelen. Maar als we op een dag grote mensen zijn, doen we weinig meer dan lopen, zitten en staan. Eventueel ander lichaamsgebruik beperkt zich doorgaans tot de sportschool en slaapkamer.
Dan is contactimprovisatie een speelse, energieke en spannende manier om je blik te verruimen. Grenzen vervagen, werelden komen op hun kop te staan. Weinig maakt zo vrolijk. Blije lijven, blije hoofden. Zonder een woord. Althans, verbaal. Want je spreekt wel zeker een taal. Die van het lichaam.


contact-improv

Lijf aan lijf
Tom Goldhand noemt zich een man met een missie. Hij is een danser en dansleraar die twee jaar geleden vanuit Israël naar Nederland is verhuisd en zich heeft aangesloten bij een netwerk dat er alles aan doet om hier een contactcommunity van de grond te krijgen: een groeiende groep mensen die de taal van contactimprovisatie spreekt en elkaar door het hele land – en daarbuiten, lichamen verstaan elkaar immers mondiaal – opzoekt om zich tijdens workshops, jams en festivals via dans te verbinden. Te spelen.
Iedereen kan het leren, volgens Tom. “Als je het wilt en een lichaam hebt.” Niet iedereen zal het leuk vinden, dat kan. Contactimprovisatie is zo lijf aan lijf dat het vraagt om overgave aan ongewisheid en voorbijgaan aan ongemakkelijkheid, het doet een groot beroep op je vermogen tot bewust aanwezig zijn in het hier en nu, het confronteert je met jezelf en allerlei spoken in hoofd, lijf en leden. (Ik kan dit niet, iedereen vindt mij stom, ik ben te dik, misschien stink ik, ik doe raar, ik verpest het voor de ander, enzovoort; het scala is eindeloos.)
Oftewel: contactimprovisatie maakt naakt (ook al houd je je kleren aan). Het is puur. Niets om je achter te verstoppen. Dat is zowel griezelig als geweldig. En bevrijdend, dat vooral.
Behalve de grond onder je voeten kan alles en iedereen je dansvloer zijn, de ander kan over jouw rug rollen, je tilt elkaar eens op en voor je het weet bodysurf je samen van de ene kant van de zaal naar de andere. De mogelijkheden zijn oneindig, en onvoorspelbaar. Zoals Tom zegt: “Je kunt altijd meer open, meer bewust, nog gelukkiger zijn.”
Contactimprovisatie staat voor een subtiel spel van volgen, leiden, leunen en luisteren, waarbij het tempo varieert van razendsnel tot bijna stilstand. Het gaat meer om het gevoel en het contact dan de vorm. Om een beeld te krijgen zou je het kunnen omschrijven als een combinatie van dans, yoga, acrobatiek, gevechtskunst als aikido en kinderspel, waarbij je intuïtie leidend is; niet je wil. Je maakt gebruik van je eigen mogelijkheden en die van je partner, van het gedeelde gewicht door tegen elkaar aan te hangen. Je laat je uit evenwicht brengen en ziet waar dat, in beweging blijvend, toe leidt. Het punt van contact is je meest directe communicatiemiddel, alles wat er vervolgens gebeurt is een inspiratiebron voor de dans.
Al met al is contactimprovisatie een dynamische, fysieke dialoog, waarbij plezier en respect voorop staan. Respect voor je eigen grenzen en die van de ander, het nooit uit het oog verliezen van je kunnen en durven, en de veiligheid van iedereen die erbij betrokken is. Tom: “Wanneer je er goed in bent? Dat heeft meer met je houding te maken dan met de hoeveelheid trucs die je beheerst. Luisteren is belangrijker dan flexibiliteit. Het is een blijvende verkenning, een nieuwsgierigheid om nieuwe dingen in je lichaam te vinden en die te delen met je partner.”
Nog iets: het speelt zich vaak af zonder muziek, soms improviseert er iemand op een harp of viool of met zijn stem. Dansen in stilte. Je hoort alleen geplof en gelach.

improvisatie contact

Seksuele lading
De oorsprong van contactimprovisatie ligt in het begin van de jaren zeventig. Steve Paxton, een in 1939 geboren Amerikaanse moderne danser, was benieuwd hoe het lichaam een fysieke speelgrond zou kunnen zijn, een plek die ongedachte bewegingen zou uitnodigen, uitgevoerd door zowel professionele dansers als amateurs. Met studenten en collega’s ontwikkelde hij de vorm die nu door enthousiastelingen als Tom wordt doorgegeven. “Het verschilt per land hoeveel beoefenaars er zijn, in Duitsland bijvoorbeeld is het heel populair.”
Geheel in overeenstemming met de aard van de dans is contactimprovisatie niet in een afgesloten vorm gevangen, er bestaan geen geschreven regels voor. Mede-initiator Nancy Stark Smith (1952) heeft het initiatief genomen tot het internationale krantje Contact Quarterly, er zijn wat boeken over geschreven, maar verder bestaat het wezen in het kennen van de oorsprong en vooral in het voortdurend delen ervan. “Er is geen diploma voor, iedereen kan zich dus een leraar noemen, en daardoor duiken er soms varianten op, zoals contacttango. Als je goed thuis bent in zowel de contactimprovisatie- als de tangowereld kan zoiets een mooie combinatie opleveren. Maar als dat niet zo is, als iemand een keer een korte contactcursus heeft gevolgd en die ervaring vervolgens als nieuwe noemer plakt aan wat hij al deed om op die manier lessen te creëren, vind ik dat onprofessioneel. Omgekeerd doe ik dat ook niet, het zou getuigen van weinig respect voor, bijvoorbeeld, de tango.”
Terug naar de dansvloer. Waar het verschil invoelbaar wordt tussen iemand ontmoeten als lichaam of als hoofd; hoe beperkend dat tweede is. Waar blijkt hoe eng het kan zijn om zomaar een ander aan te raken. Waar intimiteit te ervaren is zonder seksuele lading.
Sensueel, dat kan een dans wel zijn. Waar ligt de grens? “Zeker negentig procent van wat er bij contactimprovisatie gebeurt, heeft niets met seks te maken,” weet Tom. “Mijn ervaring is dat een oefening die we ‘de wasmachine’ noemen, waarbij iedereen verstrengeld raakt met iedereen, voor een buitenstaander associaties kan oproepen met een orgie. Maar het gaat niet over wie wie waar aanraakt, het gaat over het contact dat je maakt, het contact van jouw lichaam met dat van een willekeurige ander, en welke dans en bewegingen daaruit kunnen ontstaan.” Tom formuleert het ook wel eens anders: ‘Als je het niet naar je zin hebt, ben je geen contactimprovisatie aan het doen. En als je het te veel naar je zin hebt, ben je ook met iets anders bezig.’
Hoewel de lessen soms frustrerend kunnen zijn als ze bestaan uit het onder de knie krijgen van lastige draaiingen, duizeligmakend spiralen en technieken ten aanzien van het leren dragen van een partner, maakt het dansen zelf altijd vrolijk. Lichamen gaan zoemen, bloed bruist, gezichten stralen, monden lachen. Het creëert ruimte, in jezelf, voor de ander. Het samen spelen leidt tot een zachtere en vrijere omgang, tot een aandachtige en spontane manier van in het hier en nu zijn, tot veel aanrakingen in plaats van woordenwisselingen.


Naakter dansen
Dat die kwaliteiten zich vervolgens kunnen uitspreiden over andere gebieden, is goed te ervaren tijdens festivals zoals het jaarlijkse OsterImproFestival in het Duitse Göttingen. Men slaapt in zalen of tentjes, er wordt biologisch en vegetarisch gekookt, bloot (als je wilt) gezwommen. De dagen en avonden (nachten soms) kunnen behalve uit urenlang dansen, bestaan uit samenzang en workshops die je op andere manieren aanmoedigen onder je beschermingslagen vandaan te komen. Waarder te worden. Te zijn wie je bent. Om vervolgens nog weer naakter te dansen.
Tom: “Zeker in het begin is er veel angst. Om te vallen, maar ook psychisch: doe ik het wel goed, verveel ik mijn partner niet? Afhankelijk van wat je wilt en hoeveel tijd je eraan besteedt, kun je meer en meer ervaren en daardoor vrijer worden.” Het tegen elkaar aan botsen, het niet snappen wat de ander bedoelt met zijn been omhoog, de schrik als iemand je ineens op de heup neemt en ronddraait; het zijn allemaal hulpmiddelen. Hulpmiddelen op weg naar dat wat je ziet als je ervaren dansers ogenschijnlijk gewichtloos op, om, over en onder elkaar ziet wervelen, rollen en zwaaien. “De grondleggers van contactimprovisatie zijn inmiddels zestigers en dansen nog steeds. Er is geen einde aan wat je kunt leren. Deze vorm van dansen is een zegen voor wie niet terugdeinst voor lichamelijk contact.” En voor iedereen die wil leren vertrouwen op de waarde, kracht en levendigheid van improvisatie, in zichzelf en in interactie met ieder ander. Op en buiten de dansvloer.


terug