onderweg
knollentuin
allerlei
links
contact
strandbeesten

God in de Gamma

SCHEVENINGEN - 2009


Theo Jansen schept. Strandbeesten. Van elektriciteitsbuizen bouwt hij schepsels die het ecologisch evenwicht op het strand moeten gaan beïnvloeden, bijvoorbeeld door het hooghouden van de duinen. Knutselend met pvc doet Jansen de schepping nog eens over. Maar dan anders. Zijn wonderwezens wandelen op de wind.


Soms heb je geluk. Dan zie je een uitgelaten kudde koeien op hun eerste dag in de wei na een winter in de stal. Vliegt er een groepje zwanen voorbij met krakend zwoegende vleugels. Loop je langs de zee en stuit je op strandbeesten. Nee, geen kwallen, meeuwen of schelpdieren. Het gaat hier over de geweldige creaties van Theo Jansen: zelfgebouwde, in grootte variërende wezens met een lichtgeel skelet van elektriciteitsbuis bij elkaar gehouden met tie-raps, hier en daar aangekleed met een paar plastic voormalige frisdrankflessen en windvanen. Vederlichte, vernuftige constructies, die wandelen op de wind.

Jansen (1948) studeerde zeven jaar natuurkunde maar stopte daarmee om kunstenaar te worden. Nu staat hij op het strand naast zijn Animaris Umerus en vertelt de toegestroomde belangstellenden enthousiast waar ze naar kijken: tests met een imposant lang en vrij hoog dier met watervrees. Af en toe zet ‘ie een paar stapjes, met z’n tientallen, krakende pvc-buizen voeten. Maar het is een beest in ontwikkeling en heeft daarom last van kinderziektes, legt Jansen tijdens de steeds onderbroken demonstratie uit. Krukaskramp, dat is nu het probleem. Door het lopen gaat er iets mis met de constructie, waardoor de Animaris Umerus zijn eigen ruggengraat breekt als ‘ie zou blijven doorstappen.

Het is verbazingwekkend hoe snel iets een levend wezen lijkt te zijn. De Animaris Umerus heeft een gespitste kop van plastic zonder ogen, oren of een mond. Je kijkt dwars door ‘m heen, hij is nergens aaibaar. En toch. Toch is het een dier. Toch laten je hersens je denken dat hij naar de verre einder staart. Dat hij misschien een beetje zielig is, zo in z’n eentje. Jansen heeft inmiddels een hele kudde strandbeesten. Maar de rest is thuis of onderweg. Hij reist ermee de wereld over - zijn dieren liepen in Korea, Taiwan, Amerika, en over Trafalgar Square in Londen - en geeft lezingen over zijn bevindingen tijdens wat hij noemt zijn zelf gecreëerde kunstmatige evolutie. Het verbaast hem nog altijd dat hij hier zijn brood mee kan verdienen.

strandbeesten

Strandroller en Duingraver
Het begin der dingen is in dit geval te vinden in een stukje in de krant. Jansen had van 1986 tot 2008 een column in de Volkskrant, over zaken die hem zoal bezighielden. Variërend van de meest effectieve manier om je huis op te ruimen (zet in elke kamer zoveel dozen als er kamers zijn, doe er per doos in wat elders opgeruimd moet worden, neem de volle doos mee naar de betreffende kamer en ruim uit en op); tijdzones en datumgrenzen (Jansen stelt voor om als de zomertijd begint de klok drie uur vooruit te zetten in plaats van een); een met behulp van de computer ontwikkelde geschreven taal ietwat lijkend op Chineesachtige tekens, gebaseerd op een schema van ons alfabet in plaats van woorden.

Jansen is in het rijke bezit een open hoofd. Soms stelt hij zich voor dat hij van een andere planeet komt en vol verbazing probeert te begrijpen waar die aardbewoners toch mee bezig zijn. Geld pinnen, zich verplaatsen in allerhande voertuigen, afspraken maken over waar op de wereld de grens voor het begin van een nieuwe dag ligt. Zo keek de in Scheveningen geboren en getogen Jansen op een dag ook naar de duinen. En boog zich over de vraag hoe we, met het oog op de stijgende zeespiegel, meer zandkorrels op die duinen kunnen krijgen. ‘Er zouden eigenlijk beesten moeten bestaan die op het strand permanent veel zand losmaken en het vervolgens in de lucht gooien waardoor het naar de duinen waait,’ schreef Jansen in 1990. ‘Om dat te bereiken, heb ik enkele beesten bedacht die net zoals de bevers in de Biesbos het ecologisch evenwicht op het strand moeten gaan beïnvloeden. Ze zijn gemaakt van elektriciteitsbuis, satéstokjes en plakband en halen hun energie uit de wind; hoeven dus niet te eten.’ Jansen noemde als eerste scheppingen de dwarse strandroller en de duingraver.

Na het verschijnen van die column gebeurde er een half jaar niets, vertelt Jansen in De Grote Fantast, een prachtig boek over zijn ervaringen als God. Want met het werken aan zijn strandbeesten is Jansen immers bezig met het maken van nieuwe vormen van leven, en hij loopt daarbij naar eigen zeggen tegen dezelfde problemen aan als de echte schepper. ‘Het is niet gemakkelijk om God te zijn, je krijgt veel teleurstellingen te verwerken. Maar de weinige keren dat iets werkt, ben je als God zeer gelukkig.’

strandbeesten

Chorda, de sjorperiode
God begon in de Gamma. Daar kocht Jansen een stapeltje pvc-buizen. Hij ging ermee spelen en ontdekte dat je er van alles mee kunt doen. Buigen, vouwen, draaien. Omvormen tot knakmechanismen, zenuwcellen, ruggengraten. Wezens bouwen met plastic als oermateriaal, in plaats van ons dierlijke eiwit. Al doende besloot Jansen een jaar van zijn leven aan de buisjes te geven. Dat is nu achttien jaar geleden. Sindsdien hebben beesten als de Animaris Pneuma, de Animaris Spissa Carta en de Animaris Rugosus Ondula het licht gezien. En meer. Jansen heeft zijn scheppingen over een tijdbalk verdeeld; de tijdperken dragen namen als Gluton (de plakbandperiode, 1990), Chorda (de sjorperiode, 1991-1993) en Vaporum (periode van de stoomgeluiden, 2001-2006). We bevinden ons nu in het Cerebrum, de periode van de hersenen, begonnen in 2006.

Jansen weet de werkelijkheid zoals we denken dat ‘ie is te kantelen op een manier die ruimte creëert. ‘Als er voor een konijn gevaar dreigt, verandert hij zodanig van vorm, dat de aarde onder hem door beweegt en het gevaar zich van hem verwijdert. Dat noemen wij lopen. Lopen is voortdurend van vorm veranderen met als resultaat dat je vooruit gaat.’ Aldus De Grote Fantast. Verbeelding is een mooie eigenschap. Jansen geeft zichzelf vleugels door te denken zover hij kan. En ondertussen te sleutelen aan zijn creaturen. ‘Sinds 2005 is er een nieuw soort zenuwcel ontstaan. Hij is kleiner, lichter en gemakkelijker te produceren. Ze zijn nog niet zo klein als de chips in een computer, maar de evolutie verloopt parallel. Alles wordt kleiner zodat er meer ruimte komt voor hersenen. De werking van een nieuwe zenuwcel berust op de eigenschappen van de knakkende luchtslang. Als de slang geknakt is laat hij geen lucht meer door.’ Simpel toch? Het leuke aan Jansen is dat hij met aanstekelijk plezier zijn bevindingen deelt, zoals tijdens strandsessies in Scheveningen. Een jongensachtige man met de wind in zijn haar. Goddank had hij de moed zijn eerste voorzichtige ideeën over toekomstige strandbeesten serieus te nemen. Sindsdien werkt hij dag in, dag uit verder aan zijn schepping. ‘Nu kan ik bijna echte beesten maken. Het zijn dromen, maar tegelijkertijd zie ik een kans van slagen. Ik kan beesten uitzetten op stranden zonder nog naar ze om te kijken. Ze kunnen zwemmen. Ze gaan op hun rug liggen als het stormt, Ze nemen andere beesten op sleeptouw. Mark my words, het komt, het komt!’

terug